Bij een erg zware inspanning kan een persoon
gaan hijgen. Op zo'n moment heeft het lichaam te weinig zuurstof
en teveel koolstofdioxide in het bloed. Als de persoon met de
inspanning stopt, vertraagt zijn ademhaling tot een normale
snelheid. De persoon heeft dan weer genoeg zuurstof en geen
koolstofdioxide-overschot meer in het bloed.
In deze opdracht worden metingen gedaan naar de concentratie
koolstofdioxide in de uitgeademde lucht en de
ademhalingsfrequentie van een persoon die door zware inspanning
is gaan hijgen. Hierbij wordt onderzocht of er een verband is
tussen de ademhalingssnelheid en de koolstofdioxide-concentratie
van de uitgeademde lucht van de proefpersoon, die door een zware
inspanning is gaan hijgen.